Alias’ Groot Dictee

geplaatst in: Alalog | 0

Vlak voor het kerstfeest in alle hevigheid losbarst, frist de RelevanCie de kennis van het kerstverhaal nog even op. Op 9 december zwoegde een twintigtal Aliassers op het Alias’ Groot Dictee (jawel, het Przewalskipaard was ook weer aanwezig), dit jaar in het thema van de messias Jezus Christus en zijn ontstaansgeschiedenis. Lees het dictee hier nog even rustig terug.

Vrijwaringsclausule: de gebeurtenis in dit verhaal zal zowel aanzetten tot diepgaande eensgezindheid, als leiden tot incommodatie, heibel en disharmonisatie.

Het begon bij een meisje. Zij bezat een royale overvloed aan strokleurige lokken, die nonchalant tot haar volumineuze derrière reikten. Haar naam was Maria. Maria kende een legio aan moorddadig appetijtelijke manspersonen, maar zij moest er niets van hebben. Nooit had zij zich voor een ander nakend geëtaleerd, nooit haar benen opengevouwen. Zij zag haar corpus als een heilige tempel, oftewel een sacraal tabernakel.

Op een dag ontbood Maria’s vader haar bij hem te komen. “Maria, jeugdige deerne van me, ik heb een gemaal voor je opgeduikeld. Zijn naam is Jozef: een flatteus en magnifiek splendide schrijnwerker uit Nazareth.” Maria deinsde bevreesd en onthutst terug, iel en bleu als ze was. Er ontstond een majestatische, humide lekkage uit Maria’s diepblauwe ogen…

Nog diezelfde avond zette een wagenmenner het prille kind af voor Jozefs domicilie.  Jozef bleek van antieke leeftijd, maar was desondanks een fidele en gracieuze pief. Copulatie hadden zij nimmer, Maria’s hymen bleven maagdelijk onaangetast.

Op een avond ervoer Maria onverhoeds een zinsbegoocheling: een engel naderde haar vertrek. “Gegroet Maria. De Heer zal je bezwangeren van een zoon. Zijn masculiene viriliteit zal je als een schaduw bedekken.”

Tweehonderdzeventig etmalen, oftewel zesduizend vierhonderdtachtig uren later kondigde keizer Augustinus een volkstelling aan. In de frigide, onvermurwbare kilte van de wintermaanden trokken Jozef, Maria en de ravissante foetus naar Bethlehem. Te midden van een wijdlopige beemd, het einddoel al naburig, barstte het vochtreservoir van Maria.

Tezamen met hun Przewalskipaard, Pommers landschaap en Poitou-ezel waren zij genoodzaakt een toevluchtsoord te betrekken. In een kakofonie van theatrale klanken schonk Maria tussen het schraal uitziende luzernehooi leven aan Jezus.

Niet ver daarvandaan sleten herders de nacht op de greidgrond, waar zij de wacht hielden bij hun gedweeë kudde. Plots verscheen er een comme il faut wondermooie hemelgeest voor hen. Gabriël verkondigde: “Wees niet schichtig, ik heb een blijde annonce, die de ganse natie in exaltatie zal brengen. Heden ten dage is voor jullie een messias geboren.”

De zielzorgers volgden een flonkerend hemellichaam en zetten zo koers richting Bethlehem om de nieuwgeborene geschenken te brengen. Verbluft waren ze toen ze de zuigeling appercipieerden, waarop ze elkeen op de hoogte brachten van het ter wereld komen. Dientengevolge visiteerden ook de drie magiërs uit de Oriënt de stal waarin Jozef, Maria en Jezus hun verblijf hielden.

Zo verhaalt het relaas van Jezus Christus, die ontspruitte in Nazareth.